DE TELEURGANG VAN HET OTTOMAANSE RIJK EN VAN HET LAATSTE KALIFAAT

Het Picot-Sykes verdrag van 1916 en de gevolgen tot 1924
Wil men inzicht krijgen hoe de verschillende Staten in Klein- en Midden-Azië zijn ontstaan dan is noodzakelijk stil te staan bij de ondergang van het Ottomaanse Rijk (dat officieel het Osmaanse Rijk werd genoemd). Tot de Grote Oorlog van 1914 waren er feitelijk maar drie Staten in Klein-Azië en het Midden-Oosten: het Osmaanse Rijk, Perzië en Arabië. De Ottomanen waren er nooit in geslaagd het Arabische schiereiland volkomen onder controle te krijgen. Ze konden wel de kuststrook langs de Rode Zee in het westen en die langs de Perzische Golf in het oosten in hun macht krijgen, maar nooit het binnenland van Arabië. Het zuiden van het Arabische schiereiland (nu Jemen, de Verenigd Arabische Emiraten, Oman en Qatar) was Brits koloniaal gebied wat verklaart dat Britse troepen de hele Grote Oorlog lang aanwezig waren in het Midden-Oosten. 


Het Ottomaanse rijk ontstond in 1453 en groeide snel uit tot een wereldmacht die zich uitstrekte van Noord-Afrika, over de Balkan, tot het Midden-Oosten. Aan het hoofd ervan stond een sultan met het statuut van een keizer die ook waakte over een grensoverschrijdend kalifaat. Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw was de afkalving van het Ottomaanse sultanaat al begonnen toen het de controle verloor over de noordkust van Afrika en zeker toen het in 1882 Egypte verloor aan de Britten. Aan democratische hervormingen van het sultanaat kwam in 1878 een einde toen de 34ste sultan van het rijk, Abdülhamit II het parlement ontbond en een eigen autocratisch bewind installeerde. Toch kon dat de verdere afkalving van het Ottomaanse rijk  niet stoppen, ook niet na een massale afslachting van de Armeniërs van 1894 tot 1896 – Armeniërs die streefden naar een onafhankelijke Staat. Het autocratisch bewind van Abdülhamit II werd gekenmerkt door een reeks contrarevoluties waarbij het Comité voor Eenheid en Vooruitgang de heftigste oppositiebeweging werd. Het zal nog duren tot juli 1908 alvorens de sultan de grondwet herstelt en onder druk van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang, het parlement weer samenroept. Maar als hij in 1909 belooft het kalifaat te herstellen en een op de sharia gesteund rechtssysteem in te voeren zal hij door het Comité tot troonafstand worden gedwongen en wordt hij als sultan opgevolgd door zijn broer Mehmet V. Veel macht heeft die niet meer en uiteindelijk kan hij enkel nog de grootvizier (premier) en de Sjeik ul-Islam, de hoogste islamgeestelijke in het rijk, benoemen. Het recht om het parlement te ontbinden wordt hem ontnomen. 


Na zware verliezen in de twee Balkanoorlogen (1912-1913) werd duidelijk dat de Osmaanse gedachte aan een multinationaal en multireligieus rijk veeleer fictie dan realiteit was. De Albanezen bijvoorbeeld verkozen als moslims een eigen nationaliteit in plaats van een Osmaanse. Binnen het sultanaat tekenden twee strekkingen zich af: een pan-islamitische die streefde naar een groot Turks rijk onder islamitisch gedachtegoed en het panturkisme dat streefde naar een vereniging van alle Turkse volkeren onder Osmaans bestuur. Bij de verkiezingen van april 1912 had het Comité door middel van geweld en intimidatie 269 van de 275 parlementszetels veroverd en werd het omgevormd tot de Vrijheids- en Eenheidspartij. Van de nederlaag in de Eerste Balkanoorlog profiteerden Djemal PasjaTalaat Pasja en Enver Pasja – alle drie lid van de Vrijheids- en Eenheidspartij – om een staatsgreep te plegen en een dictatuur te stichten. Onder hun dictatuur grijpt trouwens de Armeense genocide plaats die hen na de oorlog fataal zal worden. Talaat Pasja, die tijdens de Grote Oorlog grootvizier was, zal in 1921 door een jonge Armeniër worden doodgeschoten; Enver Pasja, die tijdens de oorlog minister van Oorlog was en opperbevelhebber van het leger zal in 1921 om het leven komen, allicht neergeschoten door een Armeense leider van een sovjet-regiment; en Djemal Pasja, die na de oorlog bij verstek ter dood werd veroordeeld, zal in 1922 door Armeense Dshnak-leden omwille van zijn rol in de Armeense genocide worden vermoord.


Bij het uitbreken van de Grote Oorlog zal Enver Pasja de zijde kiezen van de Centralen (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije) tegen de geallieerden van de Entente die beschouwd werden als kolonialistische imperialisten. Kon de slag om het Suezkanaal in januari 1916, na zeer zware verliezen, door het Ottomaanse Rijk nog wel worden gewonnen, dan werd de strijd in het Midden-Oosten compleet verloren, waarbij alle Arabische gebieden voor het rijk verloren gingen. Deze volslagen nederlaag inspireerde een aantal diplomaten om in volle oorlog al te speculeren hoe de Arabische gebieden van het Osmaanse Rijk na de oorlog onder de overwinnaars verdeeld zouden worden. Na maanden van voorbereiding door de Franse diplomaat François Georges-Picot en zijn Britse collega Sir Mark Sykes wordt op 16 mei 1916 in Downing Street het geheim Picot-Sykes akkoord ondertekend door Sir Edward Grey, staatssecretaris van het Foreign Office namens de Britse regering, en door Paul Calbon, de Franse ambassadeur in Londen namens de Franse regering. Een vertegenwoordiger van de Russische tsaar en van de Italiaanse regering stemmen in met het geheim akkoord.

Er werd overeengekomen (1) dat Frankrijk de Turkse provincie Adana in Cilicië en de hele westelijke kuststrook van het huidige Syrië tot en met het huidige Libanon onder direct Frans bestuur moest krijgen (de donkerblauwe zone op de kaart), (2) dat Frankrijk zowat het hele huidige Syrië tot en met een deel van het noordoosten van Irak als mandaatgebied moest verwerven (de bleekblauwe zone op de kaart), (3) dat de Britten heel Mesopotamië, inclusief het huidige Koeweit, langs de Perzische grens onder direct Brits bestuur moesten krijgen (het rode gedeelte op de kaart), (4) dat de rest van het huidige Irak tot Kirkûk en heel Transjordanië (het noordelijk deel van het huidige Jordanië) onder Brits mandaat moesten komen (het roze gedeelte op de kaart), (5) dat de Britten rechtstreekse controle moesten krijgen over de havens van Haifa en Accra in Palestina en dat de rest van Palestina, tot Gaza, onder een internationaal toezicht moest komen (het paars gedeelte op de kaart) en (6) dat Rusland Konstantinopel kreeg en in het oosten het grondgebied van Armenië (dat laatste in groene kleur op de kaart.


Dat geheim akkoord druiste wel in tegen een eerdere toezegging die de Britse hoge commissaris in Caïro, Sir Henry McMahon, in 1915 had gedaan tegenover sjarief Hoessein bin Ali die over het sultanaat Hidjaz (met Medina en Mekka) regeerde. Wanneer Hoessein ermee instemde de zijde van de Britten te kiezen, ondanks het feit dat hij beheerder was van het Osmaanse Mekka en Medina, zouden de Britten ervoor garant staan dat er na de oorlog een groot Arabisch rijk ontstond dat zich uitstrekte van Arabië tot de Arabische rest van het Midden-Oosten. Sjarief Hoessein, een rechtstreekse afstammeling van de profeet Mohammed, en een charismatisch leider met groot gezag, geloofde die afspraak en koos vanaf dan de zijde van de Entente in plaats van die van de Centrale Mogendheden. Hij steunde openlijk de Arabische opstandelingen tegen het Osmaanse Rijk – rijk dat hij laag op had omdat geen van de 35 sultans ooit de hadj naar Mekka hadden meegemaakt (waarmee bewezen geen goede  moslims te zijn). In 1916 zal het sultanaat trouwens het onafhankelijk koninkrijk Hidjaz worden dat zich uitstrekt aan de oevers van de Rode Zee op het Arabische schiereiland. 

Het duurt nog tot november 1917 alvorens het geheim Picot-Sykes verdrag uitlekt. In Rusland heeft de gevangen genomen tsaar Nicolas II ondertussen troonafstand moeten doen na de Oktoberrevolutie van 1917. De bolsjewistische gouverneur van Sint-Petersburg ontdekt in de archieven van Sergej Sazonov, de vroegere minister van Buitenlandse Zaken, inderdaad een kopie van het Picot-Sykes verdrag en Leo Trotski, de nieuwe commissaris voor Buitenlandse Zaken, laat bij de leiders van het Osmaanse Rijk navraag doen naar meer uitleg. Die contacteren Sharif Hoessein van Mekka met de vraag of hij, die goede contacten onderhoudt met de Britten, er meer van weet. De bal gaat aan het rollen en het geheim verdrag wordt wereldnieuws. Drie dagen nadat het nieuws al werd gepubliceerd in de Izvestia en in de Pravda bereikte het ook de westerse wereld. De Manchester Guardian van maandag 26 november 1917 publiceert onder de titel Russia and Secret Treaties, Terms Published als eerste het verhaal dat zowat de hele Arabische wereld zal verbazen, ook al omdat het melding maakt van het feit dat het kalifaat moet worden afgezonderd van Turkije. 


Hierdoor zitten de Britten in een ongemakkelijke spagaatpositie omdat ze enerzijds wel de pest hebben aan de Fransen en hun haatdragende premier Georges Clemenceau maar hem niet kunnen laten vallen, en omdat ze anderzijds via McMahon beloftes hebben gedaan waarvan Sykes niets afwist bij het opstellen van het verdrag. Maar ook in de Palestijnse kwestie hebben ze tegenstrijdige beloften gemaakt. Enerzijds heeft David Lloyd George, toen nog Chancelor of the Exquerer, op 9 november 1914 – dus amper vier dagen na de oorlogsverklaring aan het Osmaanse Rijk – beloftes gedaan het Zionisme te steunen mocht het over Palestina zeggenschap krijgen, maar anderzijds konden de Britten vanaf 1915-1916 rekenen op de steun van de Arabische opstandelingen tegen de Osmaanse dictatuur van de drie Pasja’s – dit als gevolg van de overeenkomst tussen McNahon en Hoessein van Hidjaz. In 1916 houdt het sultanaat Hidjaz trouwens op nog langer een onderdeel te zijn van het Osmaanse Rijk en wordt het een onafhankelijk koninkrijk. Op dat moment bestaat het Midden-Oosten nog steeds maar uit vier Staten: het Osmaanse Rijk, Perzië, Arabië (inclusief Mesopotamië) en het nieuwe koninkrijk Hidjaz (zie de niet gecursiveerde namen van Staten op de kaart). In 1920 zal de vroegere sjarief Hoessein bin Ali er tot koning worden uitgeroepen. Ondertussen had zijn zoon Faisal de Arabische opstand tegen het Ottomaanse imperium geleid en konden de Britten hem om de bewezen diensten niet over het hoofd zien als straks het Osmaanse Rijk moest worden verdeeld.


In november 1917 worden de contradicties in de Britse toezeggingen voor wat er na afloop van de Grote Oorlog zal gebeuren nog een flink stuk complexer nadat de Britse minister van Buitenlandse Zaken Arthur Balfour in een brief aan de Britse bankier en joodse Zionist Lord Lionel Walter Rotschild beloftes had gedaan dat de Britse regering inspanningen zou doen om van Palestina een thuishaven voor joden zou maken. Die Balfour Declaratie stond inderdaad haaks op wat aan de sjarief Hoessein was beloofd dat de Britten de Arabische oppositie tegen het Osmaanse Rijk voor hun diensten zouden belonen met één groot Arabisch rijk. Maar hoe moest het dan met de Arabieren in Palestina?


In het Osmaanse rijk was sultan Mehmet V, die weinig meer was dan een randje bladergoud rond wat ooit een keizerlijke titel was, op 3 juli 1918 overleden, en werd hij opgevolgd door zijn broer Mehmet VI ‘Vahiddedin’ die vlug mocht ervaren dat het dictatoriaal triumviraat van Enver Pasja, Talaat Pasja en Djemal Pasja zijn laatste macht aan het verliezen was in zijn binnenlandse strijd tegen de Nationalisten-leider Mustafa Kemal. Toen, kort nadat Mehmet VI aan de macht kwam, Istanbul door geallieerde troepen werd bezet, waren de drie Pasja’s bij wijze van spreken al hun koffers aan het pakken en was het Mustafa Kemal die er niet aan dacht zich over te geven aan de Britten. Enver Pasja kon inderdaad niet beletten dat zijn inderhaast samengestelde Army of Islam in Kaukasus de oorlog definitief aan het verliezen was. Hij werd dan ook op 4 oktober 1918 door Mehmet VI ontslagen als minister van Oorlog en opperbevelhebber van het leger. Tien dagen later werd ook de regering van premier Talaat Pasja ontbonden. In de ogen van Mehmet VI had het Osmaanse Rijk de oorlog definitief verloren nu zowel Jeruzalem, Istanbul en Bagdad door geallieerde troepen werd bezet en de slag om de Kaukasus verloren was. Tot grote woede van Mustafa Kemal capituleerde Mehmet VI op 30 oktober 1918 waarbij hij de vernederende voorwaarden van de Britten aanvaardde. In de ogen van Mustafa Kemal was hij een landverrader, maar allicht hoopte Mehmet VI op clementie van de Britten bij de vredesonderhandelingen. Twee dagen later, op 1 november vluchtten, de drie Pasja’s, die onmiddellijke aanhouding vreesden, gezamenlijk naar het buitenland. 

De ontmanteling van het Osmaanse Rijk (1918-1920)
Nu het Ottomaanse Rijk definitief verslagen was kon het moeilijk anders of het geheim akkoord van Picot-Sykes moest worden uitgevoerd. Enkel het Russisch deel van het akkoord was niet meer van toepassing nu de tsaar en heel zijn familie door de bolsjewisten op 17 juli 1918 in de kelders van het Ipatjev-huis in Jekaterinaburg werden vermoord en hun met zuur verbrande lijken in een mijnschacht werden gedumpt. Hierdoor kon Armenië dat in de Oudheid ooit een koninkrijk was, in de Middeleeuwen een emiraat, al op 28 mei 1918 een autonome republiek worden, nog voor met de uitvoering van het Picot-Sykes akkoord werd begonnen. Toch verliep de door beide diplomaten in 1916 geplande verdeling van het ingestorte Ottomaanse imperium wegens de Britse toezeggingen aan sjarief Hoessein alles behalve vlot. Voorts was de verdeling niet naar de zin van de Amerikaanse president Woodrow Wilson die vond dat de postkoloniale mogendheden hun bevoegdheid te buiten gingen aangezien de plaatselijke bevolking niet werd geraadpleegd bij de verdeling van het Ottomaanse rijk: het zelfbeschikkingsrecht der volkeren was inderdaad ver zoek in het Picot-Sykes verdrag.


Bovendien hielden die plannen op geen enkel punt rekening met de desiderata van Griekenland. Dat land werd in 1456 een onderdeel van het Ottomaanse imperium en kon pas in 1829, althans voor wat het zuidelijk deel betrof, onafhankelijk worden van het Osmaanse Rijk. Dat deel werd een constitutionele monarchie. Het noordelijk deel met Macedonië en Thracië bleef wel Ottomaans bezit. Het werd de aanleiding tot de Grieks-Turkse oorlog die tot 1922 heeft geduurd. Omdat Griekenland aan Britse zijde had meegestreden in de Grote Oorlog – maar pas nadat die hen Konstantinopel als oorlogsbuit hadden voorgespiegeld – formuleerde premier Eleutherios Venizelos op de Vredesconferentie van Versailles (18 januari 1919 tot 21 januari 1920) wel eisen inzake de Turkse kuststrook aan de Egeïsche Zee, onder meer over het hele kustgebied rond Smyrna. Op die eisen kon door de Britten niet worden ingegaan omdat de verdeling van het Osmaanse Rijk nog steeds niet was uitgevoerd.


Dat gebeurde uiteindelijk in twee grote stappen. Bevreesd voor de Amerikaanse druk van president Wilson die een tussenkomst van de Volkenbond bepleitte alvorens de mandaatgebieden te verdelen, besloten de Fransen en de Britten het Picot-Sykes akkoord uit te voeren op een inderhaast bijeengeroepen Conferentie van San Remo (16-21 april 1920). Hierbij waren ook vertegenwoordigers uitgenodigd van Italië, Japan en België. Daarbij kreeg Groot-Brittannië een mandaat over de nieuwe Staat Mesopotamië die later Irak zou worden genoemd. Ook werd overeengekomen dat Palestina en Transjordanië Britse mandaatgebieden zouden worden. Onder druk van de Britse premier Lloyd George werd aanvaard dat Palestina een thuishaven voor de Joden zou worden waarmee de Balfour Declaratie kracht van wet kreeg. De exacte modaliteiten van de splitsing tussen Palestina en Transjordanië zouden later worden geregeld. Frankrijk kreeg Syrië en Libanon als mandaatgebieden en zag af van wat nu het petroleumrijke deel van Noordoost Irak is geworden na een onderling akkoord met de Britten dat de petroleumopbrengsten daarna gedeeld zouden worden. Vijf nieuwe Staten, ook al waren het mandaatgebieden die de Volkenbond nog moest goedkeuren, impliceerde ook dat er nieuwe staatshoofden moesten komen.


Vooral voor Syrië was dat problematisch omdat de leider van de Arabische Revolutie, Faisal bin Hoessein el-Achimi Eljai, zoon van Hoessein bin Ali, sjarief van Mekka en ondertussen koning van Hidjaz, al op 7 maart 1920 door de Arabieren werd uitgeroepen tot koning van Bilad al-Cham (Groot-Syrië) dat qua grondgebied overeenstemt met wat nu Syrië, Libanon, Jordanië en Palestina zijn. Maar aangezien één deel van Bilad al-Cham (Syrië en Libanon) na de Conferentie van San Remo een Frans mandaatgebied was geworden, en aangezien een ander deel ervan (Jordanië en Palestina) na dezelfde conferentie Brits mandaatgebied was geworden, was de positie van Faisal als koning van Bilad al-Cham onhoudbaar geworden. Nadat de Franse premier Clemenceau had beslist dat Frankrijk mordicus zijn rechten over Syrië wilde uitoefenen kon er niet langer sprake zijn van het koninkrijk Bilad-al-Cham. Toen Faisal niet wilde wijken stuurde Frankrijk 9.000 troepen, inclusief tanks en vliegtuigen naar Damascus, waar het 19 kilometer ten westen van Damascus, op 23 juli 1920 tot de Slag van Maysaloen komt en het 3.000 man sterke Arabische leger (met een verouderde uitrusting) moeiteloos wordt verslagen. Die dag wordt Faisal als (enige) koning van Syrië afgezet en komt het mandaatgebied tot 1946 definitief in Franse handen. Pas dan, en na herhaaldelijke opstanden tegen de Franse “bezetter” wordt Syrië onafhankelijk met Hashim al-Atassi als eerste democratisch verkozen president.

Van Libanon maken de Fransen Le Grand Liban en net als in Syrië wordt het hoogste ambt er vanaf 1920 overgenomen door de eenarmige generaal Henri Gouraud die er de Hoge Commissaris voor Syrië en Libanon wordt. In tegenstelling tot Syrië krijgt Libanon, dat in praktijk bestuurd wordt door Maronitische christenen, vanaf 1926 een eigen grondwet en een eigen president, en wordt het vanaf dan La République Libanaise maar het zal nog duren tot 1943 alvorens het land een onafhankelijke republiek wordt.

Voor sjarief Hoessein van Mekka, de koning van Hidjaz, is de slag van Maysaloen het klinkklare bewijs dat de koloniale mogendheden hem tijdens de Grote Oorlog schaamteloos hebben bedrogen. Hij was ervan overtuigd dat er na de oorlog één groot Arabisch Rijk zou komen dat bestond uit Arabië, Mesopotamië en Groot-Syrië (Bilad al Cham). Vooral de Britten werden hierbij met de vinger gewezen. Om niet helemaal gezichtsverlies te leiden in de Arabische kwestie besliste premier Lloyd George om, na een jaar ballingschap, Faisal bin Hoessein el-Achimi Eljai uit te roepen tot koning van Mesopotamië dat vanaf 1921 Irak wordt genoemd. Maar het zal nog duren tot 1932 alvorens Irak onafhankelijkheid verwerft en niet langer een Brits mandaatgebied is. De andere zoon van sjarief Hoessein, Abdullah bin Hoessein wordt door de Britten uitgeroepen tot emir van Transjordanië. Met Britse steun bouwt hij zich het machtigste leger van heel het Midden-Oosten uit: het Arabisch Legioen. Als Transjordanië in 1946 onafhankelijk wordt roept hij zichzelf uit tot koning van Jordanië, nadat hij de Westelijke Jordaanoever bij Transjordanië heeft aangehecht. Hij zal vruchteloos proberen Palestina bij zijn rijk aan te hechten. Een andere poging om Groot-Syrië te herstellen zal mislukken.

In het dun bevolkte mandaatgebied Palestina (amper 750.000 inwoners, hoofdzakelijk Arabieren) stellen de Britten in 1920 Sir Herbert Samuel als Hoge Commissaris aan. Hij was het die in 1914 van Lloyd George de toezegging kreeg dat de Britten erover zouden waken dat het land een tehuis van alle Joden kon worden. Dit leidde tot voortdurende spanningen, zeker toen na 1933, nadat Adolf Hitler in Duitsland de macht had veroverd, massaal veel Joden naar Palestina uitweken. Het werd het begin van de Arabische Oorlog (1933-1936) tegen de Britten. Het zal nog duren tot 14 mei 1948 alvorens David Ben Goerion de onafhankelijke Staat Israël uitroept. 

De mandaatgebieden Syrië, Libanon, Irak, Transjordanië en Palestina worden in 1922 door de Volkenbond erkend met de bedoeling er onafhankelijke Staten van te maken tegen wel gepreciseerde data.

Wat niet geregeld werd op de Conferentie van San Remo was het lot van twee Arabische gebieden die voorheen tot het Osmaanse Rijk behoorden, maar die door het Picot-Sykes akkoord wel aan de Britten werden toegewezen. Het eerste was Koeweit. Daar koos Salim al-Mubarak al-Sabah, de negende sjeik aan het hoofd van Koeweit, bij het uitbreken van de Grote Oorlog, de zijde van de Ottomanen. De Britse blokkade van het land in 1914 dwong hem er wel toe het geweer van schouder te veranderen, toen Koeweit een Brits protectoraat werd. Die Britse bescherming bleek achteraf zeker geen overbodige luxe omdat de Saoedi ’s, na de ineenstorting van het Ottomaanse imperium in 1918, het land met geweld wilden inpalmen. Het duurt nog tot 1961 alvorens Koeweit een onafhankelijke constitutionele monarchie wordt. Het wordt in 1963 het eerste Arabische land met vrije parlementaire verkiezingen. Het schiereiland Qatar in oostelijk Arabië aan de Perzische Golf was al sedert 1538 een onderdeel van het Ottomaanse imperium. Na de ineenstorting daarvan wordt het een Brits protectoraat. Het duurt nog tot 1971 alvorens het dun bevolkte land met een overweldigende meerderheid aan gastarbeiders en een nijpend tekort aan vrouwen onafhankelijk wordt als een absolute monarchie.

Uiteindelijk valt het Osmaanse Rijk uiteen in negen statenTurkije, Hidjaz, Armenië, Syrië, Libanon, Irak, Transjordanië, Koeweit en Qatar. Daarvan wordt Armenië al in 1920 een Sovjetrepubliek en zal Hidjaz in 1925 een onderdeel worden van wat voorheen Arabië heette maar sinds 1926 Saoedi-Arabië. Ten zuiden van het Arabische Schiereiland zijn JemenOman en de Verenigde Arabische Emiraten, die nooit tot het Osmaanse Rijk hebben behoord, dan nog steeds Britse protectoraten, net als de eilandjes van Bahrein in de Perzische Golf. Bestond Klein- en Midden-Azië voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog slechts uit drie Staten – het Osmaanse Rijk, Arabië en Perzië – dan zal het na het uitvoeren van de Picot-Sykes akkoorden een lappendeken worden met dertien onafhankelijke Staten. 

Osmaanse Rijk wordt Turkije (1920-1924)
Wat in San Remo niet werd geregeld was wat er nu moest gebeuren met het restant van het Osmaanse Rijk, dus met Turkije. Hiervoor werd op 10 augustus 1920 een regeling getroffen met het Verdrag van Sèvres. Daarbij werd Turkije ingedeeld in negen zones onder controle van Griekenland, Italië, Frankrijk, en Groot-Brittannië. Van het Ottomaanse Rijk bleef opeens nog slechts een Rompstaat Anatolië rond Ankara over. 

 
Toen sultan Mehmet VI het akkoord aanvaardde begonnen de Turkse Nationalisten, onder leiding van Mustafa Kemal, een hardnekkige strijd tegen zowel de zwakke Ottomaanse heersers als tegen Griekenland dat Smyrna en Thracië bezet hield. Aan de Koerden beloofde Mustafa Kemal een onafhankelijke Staat als ze hem hielpen Mehmet VI te verdrijven. Het verdrag werd nooit geratificeerd en Frankrijk en Italië trokken snel hun bezettingstroepen terug uit de hen aangewezen zone. Op 9 september 1922 kwam er een eind aan de Grieks-Turkse Oorlog (1918-1922) toen de Griekse generaals Nikolaos Trikoupis en Georgis Grivas, beter bekend als generaal Digenis, allebei krijgsgevangen werden genomen en de Griekse troepen aan het muiten sloegen. Oost-Thracië en Smyrna werden weer Turks bezit, de Zee van Marmara (via de Bosporus verbonden met de Zwarte Zee) kwam na het verdrijven van de Grieken opnieuw als een Turkse binnenzee in eigen handen. Hiervan profiteerde Mustafa Kemal om Mehmet VI, die onderdanig aan de Britten het Verdrag van Sèvres aanvaardde, op 1 november 1922 als staatshoofd te ontslaan. Ook wist Mustafa Kemal op 24 juli 1923 de Vrede van Lausanne af te dwingen waardoor er geen sprake meer was van de fameuze Rompstaat Anatolië, maar wel van een veel groter Turkije dat, op Alexandretta (later Hatay genoemd) na, zijn huidige grenzen verwierf, inclusief het op de Russen herwonnen Armenië. Mustafa Kemal werd door de ondertekenaars als nieuw staatshoofd van Turkije erkend. Van de eerder beloofde onafhankelijke Staat Koerdistan was na het verdrag van Lausanne niets meer te merken. Het duurde nog tot 6 augustus 1924 alvorens het verdrag officieel werd bekrachtigd en Turkije dàt werd wàt van het Osmaanse Rijk overbleef.

In 1938 beslist Frankrijk de provincie Alexandretta die ondertussen Hatay werd genoemd – provincie die het in 1920 samen met Syrië als mandaatgebied verworven – onafhankelijkheid te schenken onder Frans-Turkse militaire supervisie. De meerderheid van de plaatselijke bevolking wilde immers noch bij een Arabische Staat, noch bij een soennitische Staat als Syrië behoren. Op 2 september 1938 wordt de onafhankelijke republiek Hatay uitgeroepen. President wordt het Turkse parlementslid Tayfur Sökmen, premier zijn collega Abdurrahman Melek. Op 29 juni 1939, na een gemanipuleerd referendum, wordt de republiek opgeheven en wordt het een Turkse provincie. 

De lange weg van 632 naar laatste kalifaat (1924)
Onmiddellijk na de dood van de profeet Mohammed in Medina op 8 juni 632 moest zijn opvolgerschap zowel religieus als politiek worden geregeld. Politiek gezien was dat opvolgerschap een kalifaat, een grensoverschrijdende Staat die alle moslims verenigde in de Oemma: de wereldwijde islamitische gemeenschap. Aan het hoofd van een kalifaat stond een kalief, de opvolger van de profeet, Gods vertegenwoordiger op aarde. Van een kalief werd vereist dat hij een afstammeling van de profeet Mohammed was. Na de dood van Mohammed werd Abu Bakr as-Siddiq, schoonvader en vriend van Mohammed nog de dag van zijn overlijden met grote haast vrijwel unaniem gekozen tot eerste kalief gekozen door de metgezellen van de profeet (de shahaba) en door de beschermheren van de moslims in Medina (de ansaar). Het toevoegsel “as Siddiq” werd door Mohammed aan zijn naam toegevoegd en betekent: “Hij die bevestigt”. Hij werd schoonvader van de profeet toen hij in 622 zijn zevenjarige dochter Aïsja aan de toen 52-jarige profeet ten huwelijk aanbood. Het huwelijk zou pas twee of drie jaar later zijn geconsumeerd.


Als Abu Bakr in 634 sterft benoemt hij op zijn sterfbed Omar ibn al-Chattab als opvolger. Hij was de schoonvader van Mohammed (die twaalf keer was getrouwd en op een bepaald moment negen vrouwen had). Omar breidde het tweede kalifaat uit tot een wereldrijk met Palestina, Syrië, Irak en Egypte als voornaamste veroveringen. Toen hij in 644 naar de hadj in Mekka trok werd hij door een Perzische slaaf neergestoken en overleed hij vier dagen later. Zelf had hij zes mogelijke opvolgers aangesteld van wie vier zich terugtrokken. Uiteindelijk stelde de commissie van zes Uthman ibn Affan als derde kalief aan die alle voorwaarden uit de Koran en de Soenna accepteerde, terwijl zijn tegenstander Ali ibn Abu Talib die voorwaarden wel zei te zullen accepteren met uitzondering van beslissingen volgens eigen inzichten.


Uthman, die trouwde met twee dochters van de profeet, breidde het kalifaat verder uit door Byzantium en Perzië aan te hechten. In 656 trokken zeshonderd Egyptische militairen naar Ali ibn Abu Talib in Medina. Die verzekerde hen dat hun plannen om kalief Uthman te vermoorden zondig waren, waarop hij twee van zijn zonen naar huize Uthman stuurde om de kalief te beschermen. Veel hielp het niet want drie Egyptische militairen konden doordringen tot het huis van de derde kalief en vermoordden hem met negen dolksteken. Uthman was ook de kalief die de Koran zeker stelde van elke vorm van verandering of verlies van de tekst.


Na zijn dood benoemde de commissie Ali ibn Abu Talib tot zijn opvolger. Hij was een rechtstreekse afstammeling van de profeet: zijn moeder, Fatima, was een dochter van Mohammed, en beviel van hem in de Ka’aba in Mekka. Hij was dus de schoonzoon van Mohammed die hem later adopteerde Ali als zoon. Hij wordt beschouwd als de beste leerling van Mohammed en de enige van de metgezellen die door de profeet werd ingewijd in de esoterische leer. De vier eerste profeten zijn de enige die worden beschouwd als Vier Rechtgeleide Kaliefen. Volgens de sjiieten en de alawieten is Ali de eerste kalief en niet Abu Bakr. Daarvoor hebben ze een waslijst van argumenten. Vooral een aantal teksten die suggereren dat de profeet hem had uitverkozen als zijn opvolger. Ali veroorzaakt het eerste schisma binnen de moslimgemeenschap. Het zal ook leiden tot de wat in 661 zou uitgroeien tot eerste burgeroorlog tussen moslims. Eerder al zwoer de derde vrouw van de profeet, Aïsja met twee vroegere metgezellen van de profeet tegen Ali samen. Ze richtten een eigen leger op dat in 656 verslagen werd in de Slag van de Kameel. Daarbij werden de twee complotterende metgezellen gedood en Aïsja gevangen genomen en terug naar Medina gevoerd waar ze tot haar dood onder huisarrest wordt geplaatst. 


Omdat Ali ogenschijnlijk niet genoeg inspanningen deed om de moordenaars van zijn voorganger te vatten kwam de gouverneur van Damascus, de eerder door Uthman benoemde Moe’awija, in 657 in opstand tegen Ali, maar ook zijn leger werd verslagen. Toch schonk Ali hem vergiffenis en mocht hij als Omajjaad zijn functie behouden. Die vergevingsgezindheid is niet naar de zin van kharidjieten, de rebellen, die een burgeroorlog (fitna) beginnen tegen de Omajjaden uit Damascus. In 661 wordt kalief Ali in Kufa trouwens vermoord door een kharidjiet. 


Voor de sjiieten lag het voor de hand dat de oudst overlevende zoon Hasan ibn Ali in Kufa zijn vader als kalief zou opvolgen, maar op bevel van Moe’awija, die zich als kalief in Damascus laat uitroepen, wordt hij door zijn eigen vrouw vermoord. Tussen 661 en 750 leveren de Omajjaden veertien kaliefen in Damascus, met Moe'awaija als eerste. Die worden door de sjiieten niet erkend. Zij beschouwen de twaalf imams die Ali opvolgen, en minstens regeren tot 868, als de ware opvolgers van de profeet. Naarmate de Omajjaden zich steeds meer interesseren in wereldse luxe en steeds minder in geloofszaken groeit het verzet tegen het kalifaat van Damascus.


Dat in weelde badend kalifaat is een doorn in het oog van de Perzische Abassiden die vanaf 747 het kalifaat van Damascus niet langer erkennen, ook al omdat de kaliefen van Damascus, in tegenstelling tot de Abassiden, niet rechtstreeks van de profeet afstammen. Het komt tot een open oorlog tussen de Abassiden en de Omajjaden waarbij Abu Abbas al-Saffah zichzelf in 750 tot kalief uitroept en alle nog levende Omajjaden laat uitroeien. Dat wordt het begin van het kalifaat van Bagdad en wordt beschouwd als het einde van de Oemma. Tot 1258 leverden de Abassiden liefst 37 kaliefen met zetel in Bagdad. Vanaf 946 hadden de kaliefen van Bagdad alleen nog een ceremoniële macht nadat sjiieten uit het westen van Perzië de macht hadden veroverd. Vanaf dan tot 1258 stonden alle soennitische kaliefen onder controle van de sjiieten.


Daaraan komt een einde als de Mongolen Bagdad verwoesten en er de laatste kalief, Al-Musta’sim en al zijn familieleden op ceremoniële wijze vermoordden. Ondertussen hebben Turkse Mammelukken de macht over het moslim rijk overgenomen en wordt het vanaf 1261 bestuurd uit Caïro. Zij benoemen er tot 1517 de 18 kaliefen van het Kalifaat van Caïro, allemaal Abassiden die niet de geringste politieke macht hebben. 


Ondertussen is het Osmaanse Rijk, gesticht door Osman Gazi in 1300 uitgegroeid tot een wereldrijk dat vanaf 1453 met de verovering van Konstantinopel en de val van het Byzantijnse Rijk (het zgn. Oost-Romeinse Rijk) een wereldmacht is geworden die zich steeds verder uitbreidt in Europa en die vanaf nu geregeerd wordt door de sultans met zetel in Istanbul. In 1517 beslist de 9de sultan van het gecentraliseerde Ottomaanse imperium, Yavuz Sultan Selim, die dat jaar de Mammelukken versloeg, dat het Kalifaat van Caïro zal worden vervangen door het Ottomaanse Kalifaat. De emir van Mekka zal hem in 1517 uitroepen tot de nieuwe kalief en beschermheer van de heilige plaatsen Mekka en Medina. Vanaf nu zijn alle sultans van het Osmaanse rijk alle 28 de nieuwe kalief – in 1648 zelfs de … zesjarige Mehmet IV, de 18de sultan – en dit tot de afzetting van Mehmet VI, de 36ste en laatste sultan, op 1 november 1922. Lange tijd is geen van hen is echt geïnteresseerd in religieuze aangelegenheden, wat onder meer wordt bewezen door het feit dat niet één van hen de hadj meemaakt. 


Onder Sultan Süleyman I (1520-1566), de 10de sultan, bereikt het Osmaanse Rijk zijn grootste uitbreiding toen hij een militair conflict met het Habsburgse Rijk aandurfde en akkoorden sloot met West-Europese Staten, onder meer Frankrijk en de Noordelijke Nederlanden, om de macht van de Habsburgers in te tomen. Na hem begint de afkalving van het Ottomaanse imperium als niet langer de meest bekwame zoon van een sultan zijn opvolger wordt, maar de oudste zoon. Vanaf dan worden broeder- en zustermoorden in het Osmaanse Rijk schering en inslag. Hiermee werd trouwens al voor 1648 – toen de erfopvolging naar de oudste zoon van de sultan ging – al begonnen. Zo liet Mehmet III, de 13de sultan, die in 1595 aan de macht kwam zijn negentien broers en meer dan twintig zussen allemaal wurgen. Vanaf 1648 tot de komst van Selim III (de 28ste sultan) in 1789 werd het rijk bestuurd door onbekwamen en verzwakte de militaire macht van de Ottomanen. Hij probeerde in het rijk een Nieuwe Orde te installeren, door onder meer een leger uit te bouwen op Europese leest. In 1807 wordt hij echter afgezet door zijn neef Mustafa IV (de 29ste sultan) die Selim III liet vermoorden, maar in 1808 werd opgevolgd door zijn broer Mahmut II (de 30ste sultan) die hem op zijn beurt laat vermoorden. Hijzelf lijdt nederlagen tegen Griekenland en tegen Rusland en werd verplicht zijn leger te hervormen in de stijl die Selim III had gewild. Zijn zoon Abdülmecit I kwam in 1839 als 31ste sultan van het Ottomaanse Rijk aan de macht en zette de modernisering van het rijk verder door. Door het Decreet van de Rozentuin zullen Christenen en Joden door de overheid en Justitie op dezelfde manier worden behandeld als de moslims. Bij zijn dood in 1861 zet zijn broer Abdülaziz als 32ste sultan de modernisering van het rijk verder door een onderwijs naar westers model door te voeren. Zijn verkwistend leven wordt hem echter fataal en in 1876 zal hij worden opgevolgd door Murat V, de oudste zoon van Abdülmecit I. Hij komt door een staatsgreep met de steun van de nationalistische Jong-Turken aan de macht, maar wordt door hen nog hetzelfde jaar als krankzinnig aan de kant geschoven, en opgevolgd door zijn broer Abdülhamit II als 34ste sultan. Die zal wel een nieuwe democratische grondwet goedkeuren, maar zal vanaf 1878 tot zijn afzetting in 1909 als een dictator zal regeren. Hij wordt opgevolgd door zijn broer Mehmet V die door de nationalisten nog enkel zal worden geduld en geen enkele macht meer zal behouden. Als hij in 1918, na de val van het Ottomaanse Rijk, aan de macht komt wordt zijn broer Mehmet VI de 36ste en laatste sultan. Als hij slaafs het Verdrag van Sèvres aanvaardt, dat het eertijdse wereldrijk reduceert tot de piepkleine rompstaat Anatolië wordt dit voor de leider van de Nationalisten het sein om op 1 november 1922 het sultanaat definitief af te schaffen.


Tot de komst van Abdülaziz in 1861 hebben de Ottomaanse sultans weinig belang gehecht aan hun status van kalief omdat ze meer zagen in een pan-Turkse invulling van hun bevoegdheid dan in een pan-islamitische. Hijzelf, zijn broer, en zijn vier zonen, die de zes laatste sultans van het Osmaanse rijk zullen worden, zullen aan de status van kalief een nieuwe invulling proberen te geven, al ware het maar om hun verlies aan wereldlijke macht te compenseren met een grotere religieuze macht. Na het uitbreken van de Grote Oorlog riep de politiek machteloze Mehmet V in zijn hoedanigheid van kalief nog op tot de jihad van alle moslims tegen de Britse, de Franse en de Russische vijand. Maar veel effect had dit niet omdat tal van moslims meestreden in de vijandelijke legers. 

De vier laatste kaliefen met v.l.n.r. Abdülhamit II (1876-1909), Mehmet V (1909-1918), Mehmet VI (1918-1922) en Abdülmecit II (1922-1924). De drie eersten waren net als hun voorganger en oudste broer Murat V (1876-1876) zonen van sultan Abdülmecit I die regeerde van 1836 tot 1861. Abdülmecit II was een zoon van sultan Abulazziz die van 1861 tot 1876 zijn broer Abdülmecit I opvolgde. Hij was een volle neef van de vier broers die na Abdülaziz sultan van het Osmaanse Rijk waren.


Na de afzetting van Mehmet VI en de opheffing van het Ottomaanse sultanaat werd Mustafa Kemal algemeen erkend als de nieuwe leider van Turkije. Na de Vrede van Lausanne werd hij op 29 oktober 1923 de eerste president van de seculiere republiek Turkije met Ankara als hoofdstad. De Turkse Nationale Vergadering besliste op 18 november 1922 dat, ondanks het verdwijnen van het sultanaat, het kalifaat mocht blijven voorbestaan. Kroonprins Abdülmecit II, een volle neef van de vier vorige sultans, werd tot kalief uitgeroepen, zij het zonder de geringste politieke macht. Op 3 maart 1924 besliste de Turkse Nationale Vergadering het kalifaat definitief af te schaffen omdat dit niet te rijmen viel met de secularisering die Mustafa Kemal aan het doorvoeren was. De laatste kalief werd verplicht Turkije te verlaten en trok zich terug in Parijs. De scheiding van Kerk en Staat impliceerde (1) de afschaffing van het kalifaat, (2) het sluiten van de traditionele religieuze scholen (de zgn. medrese); (3) de afschaffing van de fez (hoofddeksel met kwast) voor mannen en van de sluier voor vrouwen; (4) invoering van het burgerlijk huwelijk en afschaffing van de polygamie door invoering van een nieuw burgerlijk wetboek en een nieuw wetboek van strafrecht in 1926; (5) de invoering in 1928 van het Latijnse alfabet dat het Arabisch-Turkse moest vervangen; (6) de invoering van actief en passief stemrecht voor vrouwen in 1934; (7) de invoering van familienamen naar westers model in 1934 en (8) de invoering van zondag als wettelijke vakantiedag in 1935. Dat hij als liefhebber van alcoholische drank – hij stierf trouwens aan levercirrose – het alcoholverbod ophief en voorstander was van westerse muziek werd hem door vele moslims al even kwalijk genomen als zijn afschaffing van het kalifaat.


Hij maakte van Turkije een moderne westerse Staat gesteund op een soort staatskapitalisme waarbij grote ondernemingen staatseigendom werden en waarbij buitenlands kapitaal zoveel mogelijk werd gemeden. Hij blijft tot op vandaag een legendarische nationale held op wie het geven van kritiek verboden blijft.

Mustafa Kemal (1881-1938) die zich vanaf 1934 Mustafa Kemal Atatürk mocht noemen: (voor)vader van alle Turken.

Pogingen om het kalifaat te herstellen
Na de opheffing van het kalifaat op 3 maart 1924 vond sjarief Hoessein bin Ali, koning van Hidjaz, dat hem, als geestelijke leider in hoog aanzien, het recht toekwam het kalifaat verder te zetten. Al sedert de 15de eeuw waren er pogingen om een Sjariefiaans Kalifaat te stichten, maar tegen een wereldmacht als het Osmaanse Rijk waren de emirs van Mekka – allen Hasjemieten – niet opgewassen. Die poging om het kalifaat te herstellen werd in 1925 al in de kiem gesmoord toen Abdul Aziz Ibn Saud de heilige plaatsen in Mekka en Medina bezette, zichzelf uitriep tot koning van Hidjaz, en het koninkrijk toevoegde aan wat daarna Saoedi-Arabië werd. Hierdoor werden de Hasjemieten na zevenhonderd jaar bewaking van de heilige plaatsen, voorgoed uit Mekka en Medina verdreven. De Saoedi waren teveel geïnteresseerd in wereldse macht om enige belangstelling voor het kalifaat aan de dag te leggen. Ook de zonen van Hoessein bin Ali, toch rechtstreekse afstammelingen van profeet Mohammed, die respectievelijk regeerden over Irak en over Transjordanië, waren evenmin geïnteresseerd in een voortzetting van het kalifaat, al was het maar omdat het kalifaat sinds de val van Damascus in 750, al lang geen weerspiegeling meer was van de Oemma.


Eerder al had de Khilafat Movement (1919-1924) na het verdrag van Versailles inspanningen gedaan om het kalifaat te redden mocht het Ottomaanse Rijk volkomen verdwijnen. De beweging werd opgezet door moslims uit Brits Indië met de bedoeling de Britse regering ertoe aan te zetten op zijn minst het kalifaat te redden bij de ondergang van het Osmaanse Rijk. Na de Vrede van Sèvres en de Vrede van Lausanne zakte de beweging in elkaar. De Britten zelf hadden niet de geringste interesse in een islamitisch kalifaat.


Nog eerder, van 1804 tot 1903 bestond op een deel van het huidige grondgebied aan de Sokoto-Rima rivieren in Nigeria het Kalifaat Sokoto, dat een kalifaat van de Fulbe was, een islamitisch nomadenvolk dat in 1809 onder Usman dan Fodio een jihad tegen de plaatselijke heersers was begonnen. De sultan van Sokoto noemde zichzelf een kalief, die eigenlijk door geen van de kolonialiserende mogendheden werd erkend. In 1903 begon de Britse generaal Frederick Lugard een open oorlog tegen de nieuwe sultan van de hoofdstad Sokoto en schafte hij het kalifaat af (maar niet de titel van sultan van Sokoto). 


Vanaf 1908 is er ook sprake van het Ahmadiyya Kalifaat. Het beroept zich op de hindoe Mirza Ghulam Ahmad (1835-1908) die voorhield dat Jezus Christus niet aan het kruis is gestorven, maar na een lange coma herstelde in Kasjmir waar hij op zoek ging naar de verloren stammen van Israël. Hij beweert dat Allah met hem begon te communiceren, en dat Allah hem uitriep tot de grote hervormer (Mujaddid), dat de Mahdi en de Messias één persoon zijn, en dat hij door Allah werd uitgeroepen tot Messias. Mocht dit waar zijn, dan was de profeet Mohammed niet de laatste profeet zoals de Koran volhoudt. Daarom wordt zijn leer door de moslims als een ketterij aanzien. Rond zijn geschriften ontstond na zijn dood de Ahmadi beweging (de Ahmadiyya Moslim Gemeenschap). Zijn eerste opvolger wordt Hakeem Noor-ud-Din die zichzelf uitriep tot Khalifatul Masih I, opvolger van de Messias, en zich vestigde in Rabwah in het noordoosten van het latere Pakistan (dat pas in 1947 een onafhankelijke Staat wordt). Hij wordt in 1914 tot 1965 opgevolgd door Mirza Basheer ud-Din als Khalifatul Masih II, een zoon van Ahmad. Vanaf dan is in Mekka de leer van Ahmad in het geheim onislamitisch genoemd en vanaf 1947 worden de Ahmadi in Pakistan vervolgd. Er volgen nog drie andere kaliefen die zich vanaf 1982 terugtrekken in Londen. De laatste Khalifatul V is Mirza Masroor Ahmad die van 2003 de laatste kalief van de Ahmadi is. Geen van de vijf had ooit een omgrensd kalifaat. Het zijn spirituele zonderlingen die alles behalve de Oemma onder moslims wisten te garanderen. 


Het is het wachten tot 1970 alvorens de islamitische stichting Milli Görüs met afdelingen in Duitsland en Nederland (30.000 leden in Nederland!), vrijwel uitsluitend Turkse immigranten, opnieuw interesse betoont in de Oemma van het kalifaat. Daarvan splitst in 1984 het Verband islamischer Vereine und Gemeine zich af onder leiding van Cemalledin Kaplan, die algauw de bijnaam Khomeini van Keulen krijgt. Zijn zoon, imam Metin Kaplan noemt zichzelf sedert 1995 zoon van de moefti en kalief van het Kalifaat van Keulen (Kalifaatstaat). Het wordt een paramilitaire organisatie met 1500 strijders, van wie 1300 in Duitsland. Metlin Kaplan richt zich tegen de Turkse republiek en had plannen om in 1998 bij de 75ste verjaardag van de Turkse republiek het mausoleum op te blazen waarin Kemal Atatürk begraven ligt. Als in mei 1997 de jonge Turkse dokter Halil Ibrahim Sofu zichzelf uitroept tot kalief van Berlijn ordonneert Metin Kaplan zijn paramilitaire troepen hem te vermoorden. Als dat effectief gebeurt wordt Metin Kaplan in 1999 gearresteerd. En pas nadat de Turkse overheid bevestigd heeft dat hij niet de doodstraf zak krijgen wordt hij aan Turkije uitgeleverd waar hij levenslang opgesloten zal blijven. 


Van Metin Kaplan is geweten dat hij contact zocht met Osama Bin Laden, in feite de enige die sinds de Sovjet-Russische bezetting van Afghanistan in 1979 plannen koestert om de Oemma onder de moslims te herstellen en een nieuw wereldwijd erkend kalifaat te stichten. Met dat doel richt hij de terreurgroep Al Qaida op. Uit die terreurgroep zal in 2006 de soennitische terreurgroep ISI (Islamitische Staat Irak) ontstaan waar Abu Bakr al-Baghdadi, die zich laat noemen naar de eerste kalief Aboe Bakr, Al Qaida zal overvleugelen om op 29 juni 2014 het kalifaat Islamitische Staat uit te roepen en zichzelf tot kalief Ibrahim, bewerend dat hij een rechtstreekse afstammeling van de profeet Mohammed is en de wettige opvolger van de laatste rechtmatige kalief, kroonprins Abdülmecit II. Hij acht het als zijn taak met geweld de gevolgen van het Picot-Sykes akkoord te vernietigen en een nieuw grensoverschrijdend kalifaat op te richten.


Ondertussen heeft de leider van de terreurgroep Boko HaramAbubakar Shekau in september 2014 het Kalifaat van Nigeria uitgeroepen. Net as Abu Bakr al-Baghdadi is hij ervan overtuigd dat er straks een wereldwijd kalifaat moet komen dat alle ongelovigen, die zich weigeren tot de islam te bekeren, moet afslachten. In wreedheid moet Boko Haram in niets onderdoen voor ISIS. Het bezet ondertussen al een aantal steden in het noorden van Nigeria. Waar ISIS zich baseerde op het erfgoed van Al Qaida, lijkt Boko Haram zich te inspireren op het erfgoed van de Afghaanse Taliban die de Afrikaanse terreurgroep sinds 2009 zijn gaan versterken.

Een reactie posten

0 Reacties