JOBS, JOBS, JOBS: WIE HOUDEN ZE MET HUN TAX SHIFT VOOR DE GEK?

Ze kunnen zelfs bij benadering niet zeggen hoeveel jobs er zullen worden gecreëerd. Wat een bende hopeloze prutsers. Het enige wat ze goed kunnen is in de zakken zitten van de doodgewone man en het grootkapitaal buiten schot te houden. Heel hun trammelant zal nauwelijks jobs creëren, wel meer fiscale lasten. Herlees hfst 1 van mijn crisisboek en je beseft meteen dat het niets uithaalt. En zeggen dat ik in hoofdstuk 7 van deel II van mijn nieuw boek haarfijn uitleg hoe er onmiddellijk 215.000 jobs kunnen worden gecreëerd waaraan de overheid 16 miljard verdient zonder al die onnozelheden die ze nu weer doorvoeren en die niet één job zullen creëren, terwijl ik exact kan zeggen, provincie per provincie, hoeveel jobs er CONCREET kunnen worden gecreëerd. Maar ja, ik ben slechts een macro-econoom en econometrist, geen politicus die het altijd beter denkt te weten.

Wat Michel & Co aan het parlement hebben voorgelegd is onvoorstelbaar vaag, zo vaag dat het onmogelijk is dat ze het Planbureau gevraagd hebben na te gaan wat de concrete gevolgen zijn van hun zgn. tex shift. Of nog: het kransje welbespraakte prutsers heeft er weer eens naar geklopt als een blinde naar een ei. Bijvoegseleconoom Johan van Overtveldt – de Al Bundy van de regering – kon in het 1h journaal in de verste verte niet zeggen hoeveel jobs er zouden worden gecreëerd. Maar ze vonden het wel een schitterend plan van historisch formaat. En dan die belofte dat iedereen 100 euro per maand zou bijverdienen. Waarvan zouden ze dat betalen??? Het enige wat ze kunnen is gouden bergen beloven. Ziek word ik als ik het juristje Patrick De Wael over economie hoor lullen. Wat weet zo'n vent nu in vredesnaam over economie. En de laffe Belg, hij slikt het allemaal. Komen wij dan echt nooit in opstand tegen die bende volksverlakkers?

WAAROM DE TAXSHIFT ONVOLDOENDE IS OM DE CONCURRENTIEKRACHT VAN DE ECONOMIE TE HERSTELLEN

Op Kanaal Z had de verslaggeefster het over het patronaat dat zowaar lyrisch is over de taxshift als had datzelfde patronaat de pen vastgehouden waarmee politici de tekst voor de taxshift schreven. Dat de loonkost moet dalen om weer concurrentieel te worden is heel zeker juist. Alleen moet de loonkost (203 miljard per jaar) met veel meer dan 2 miljard dalen om de Belgische economie weer concurrentieel te maken. Men vergeet daarbij steeds opnieuw dat het concurrentievermogen van een economie twee facetten heeft: én de loonkost per uur én de arbeidsproductiviteit per uur. En dit laatste is na de Petroleumcrisis (1973-1988) na een onvoorstelbaar aantal misinvesteringen volkomen verkeerd gelopen. Van 1996 tot 2014 is de arbeidsproductiviteit in België slechts met gemiddeld 0,84 procent gestegen (tegen 1,23 procent in Nederland, 1,32 procent in Frankrijk, 1,39 procent in Duitsland, 1,65 procent in het UK en 1,47 procent in Europa). Hierdoor heeft België in twee decennia tijd zijn concurrentiekracht volledig zien teniet gaan.

Wil men de concurrentiegraad herstellen dan is er veel meer nodig dan de loonkost fors te laten dalen, dan moet de arbeidsproductiviteit fors worden opgetrokken. En daaraan doen het patronaat en zijn loopjongens binnen de regering doodgewoon niets. Trouwens is de taxshift enkel bedoeld voor de grootste bedrijven, niet voor de KMO's. Kleine bedrijven genieten door allerlei wetten en wetjes van een werkgeversbijdrage die lang geen 33 procent bedraagt, maar rond de 27 procent schommelt. KMO's (die nog steeds het grootste percentage van de bevolking tewerkstelt) halen dus nauwelijks voordeel uit de taxshift. Wilt men een bewijs daarvoor, bekijk dan de nationale rekeningen als gepubliceerd door de NBB. Dan vindt men dat de totale werkgeversbijdrage van het patronaat 28.235,6 miljard is. Zou men die effectief met 8 procent op 33 laten dalen, dan zou het over 8/33sten x 28.235,6 miljard gaan = 6,845 miljard moeten gaan en niet om de 2 miljard waarover de regering spreekt.
Dat de concurrentiekracht NIET wordt hersteld kan duidelijk worden aangetoond. Volg even mee. .Zowel in Nederland als in België wordt de burger er vrijwel dagelijks mee om de oren geslagen dat de hoge loonkost de concurrentiepositie van hun economie aantast. Daarbij schuwt men geen overdrijvingen of gebruikt men onjuiste cijfers. Maar wat bedoelen politici of patronaat wanneer ze het hebben over de concurrentiepositie van onze economie? Ze volgen dan een simpele en op het eerste gezicht correcte redenering, namelijk dat als in land A er per uur 200 stuks worden geproduceerd, tegen 100 stuks in land B, dat dan de loonkost in land A niet meer dan het dubbele mag bedragen van die van land B. Abstractie makend van kosten voor verpakking, vervoerkosten, transportverzekeringen, etc., kunnen we de concurrentiepositie van een land (symbool CP) volgens die economisch simplistische visie van patronaat en overheid dus uitdrukken in een simpele formule. Gebruiken we voor de productiviteit van land A het symbool PR(A), voor de productiviteit van land B het symbool PR(B), voor de loonkost in land A het symbool w(A) en voor de loonkost in land B het symbool w(B) dan is de concurrentiepositie van land A ten opzichte van land B volgens die visie dus gelijk aan:

CP(A/B) =100 (PR(A)*w(B))/(PR(B)*w(A)) [1]

Dat cijfer 100 gebruiken we dan om de concurrentiepositie uit te drukken als een percentage. Zolang we voor CP(A/B) een cijfer bekomen dat groter is dan 100 heeft land A volgens die visie een gunstige concurrentiepositie ten opzichte van land B, is het kleiner dan 100 dan bekomen we een ongunstige concurrentiepositie. Het bekomen cijfer leert dan meteen met hoeveel procent de loonkost in land A nog mag stijgen om concurrentieel te blijven, of hoeveel de loonkost in land A moet dalen om weer concurrentieel te worden. Stel dat we een CP(A/B) = 110 % vinden, dan mag de loonkost nog met 10 % stijgen zonder de concurrentiepositie van land A in gevaar te brengen. Stel echter dat we een CP(A/B) = 85 % vinden, dan moet de loonkost in land A met 15 % zakken om nog te kunnen concurreren tegen land B.

Werken we over meerdere jaren dan moeten we wel werken met de reële loonkost (uitgedrukt in munteenheden van een gekozen basisjaar), niet met de nominale loonkost. Dat basisjaar moet dan ook hetzelfde zijn als dat wat we gebruikten om de productiviteit per uur uit te drukken, bijvoorbeeld loonkost en productiviteit uitgedrukt in munteenheden van 2013. Hebben land A en land B een verschillende munt dan moet de loonkost in land B wel worden omgezet in die van land A door rekening te houden met de wisselkoers van de verschillende munteenheden. Laten we bij wijze van oefening dan even berekenen hoe sterk of hoe zwak de concurrentie¬positie van de Belgische economie in 2013 was t.o.v. de Nederlandse. Dan vinden we volgende cijfers:

PR(B) = 45,9 €/uur (zie Tabel 4)
PR(NL) = 45,8 €/uur (zie Tabel 4)
w(B) = 38,02 €/uur (zie Tabel 3-1, kolom 1)
w(NL) = 32,82 €/uur (zie Tabel 3-1, kolom 1)
Voeren we die cijfers in, in formule [1] dan vinden we:
CP(B/NL) =100 (45,9 *32,82)/(45,8 *38,02) = 86,51
of nog dat de loonkost in België 13,49 % te hoog is om met Nederland op basis van lonen te kunnen concurreren.

Laten we nu even een denkoefening maken. Onderstel dat we in 1996 reeds zouden hebben beslist tot een indexsprong en dat we dan al hadden beslist tot een taxshift die twee keer zo hoog was. Zouden we dan de concurrentiekracht van onze economie hebben hersteld? Bekijken we daartoe de bovenste grafiek (waarbij we noch een indexsprong, noch een taxshift hadden ingevoerd in 1996), en vergelijken we die met de onderste grafiek waarbij we in 1996 al hadden beslist tot een loonstop én een taxshift). In 1996 waren we nog concurrentieel met Duitsland, Finland, Zweden en Frankrijk (bekijk de rechste grafiek). Onderstel nu dat we al in 1996 hadden ingegrepen met én een indexsprong én een taxshift die twee keer zo hoog is). Dan zien we op de onderste grafiek dat de verzwakte concurrentiekracht nog steeds niet zou zijn hersteld geworden in 2013. We zouden enkel nog hebben concurreren met de Zweedse economie. Conclusio patet: we hebben onze gunstige concurrentiekracht minder verloren door een te hoge loonkost dan wel door een veel te traag gestegen productiviteit: de laagste in de EU28!



Een reactie posten

0 Reacties