KLIMAATCONFERENTIE: IN 2015 WORDT HET EROP OF ERONDER

In Warshauw heeft van 11 tot 22 november de 19de klimaatconferentie plaats met de bedoeling in 2015 tot een wereldwijd akkoord te komen in de strijd tegen de opwarming van de aarde. De eerste klimaatconferentie dateert al van 1992 en werd net als alle volgende georganiseerd door de UNFCCC (United Nations Framework Convention on Climate Change). Dat er dringend fundamentele resultaten dienen worden geboekt blijkt toch wel na de ramp met de alles verwoestende tornado Haiyan op de Filippijnen. De stijging van de temperatuur zorgt ongetwijfeld voor een opwarming van het zeewater waarbij er bij stormen meer energie vrijkomt en ze heftiger worden. Zeker, als uitleg is dit wat simplistisch, en de realiteit is veel complexer dan dit, maar dat de klimaatverandering man made is, is iets waaraan steeds minder mensen twijfelen (tenzij ze tot de idioten van de Tea Party behoren natuurlijk).

Wanneer we even meeredeneren met de grondlegger van de systeemtheorie – met Niklas Luhmann dus – dan moeten we toegeven dat de postmoderniteit, waarin wij leven, onmiskenbaar geleid heeft tot een toename van het aantal systemen (met elk al hun deelsystemen) binnen de leefwereld. Bovendien is het het begin geweest van virtuele systemen die voorheen niet bestonden. Tijdens de moderniteit had de mens quasi geen oog voor de negatieve externaliteiten van het productieve en het consumptieve systeem. Dat milieu­schade één van de drie productiefactoren – milieu – aantastte was iets waarbij de moderne mens nauwelijks had stilgestaan. Toen de milieuschade merkbaar werd dacht men nog een hele poos dat men via een soort pigouviaanse heffingen (Arthur Cecil Pigou, 1912, 1920) of via ingrijpen in de hoogte van de rente de geleden schade kon herstellen. Maar al snel bleek dat dergelijke systemen de schade in het geheel niet herstelden en er hooguit konden voor zorgen dat de schade minder snel opliep. Ongeprijsde schade aan een zo schaars middel als “milieu” werd opeens een torenhoog probleem, zeker toen de postmoderne mens zich bewust werd van de sinds een eeuw aan de gang zijnde opwarming van de aarde. Het voornaamste probleem daarbij was dat niemand eigendomsrechten op het milieu had zodanig dat niet in te zien viel hoe men de schadelijke externaliteiten moest gaan omzetten in prijzen. Er bestond wel een warenmarkt waar de waarde van een waar werd getransformeerd in een prijs, maar geen marktsysteem waar negatieve externaliteiten konden worden omgezet in een prijs.

Met het Kyoto-protocol ontstaat zo’n virtueel marktsysteem voor negatieve externali­tei­ten. Inderdaad zijn 164 landen overeengekomen in de periode 2008-2012 de uitstoot van broeikasgassen met 5 % te verminderen t.o.v. het niveau van 1990. Landen die daar niet aan voldoen kunnen emissierechten afkopen van landen die er wel aan voldoen en kopen dan als het ware “propere lucht”. Dergelijke mechanismen tonen in elk geval aan dat het tot de postmoder­niteit heeft geduurd alvorens men op grote schaal durfde toe te geven dat het bestaande marktsysteem faalt. Milieuschadelijke bijproducten kunnen er worden geloosd of uitgestoten doordat de gebruiksrechten op lucht, water en bodem niet werden geregeld. Tijdens de postmo­derniteit wordt regelgeving het belangrijkste instrument van de overheid voor een milieubeleid. Het grootste probleem blijft wel dat de milieuschade zeer moeilijk te ramen valt zodat de prijsvorming voor de schade (tot uiting komend in een heffing) artificieel blijft. Daarom werd regelgeving via taxaties meer en meer vervangen door verhandelbare vervuilingsrechten onder toezicht van politieke systemen. Het is het politiek systeem dat bepaalt hoe groot de uitstoot van bepaalde stoffen mag zijn. Het uitvoerend orgaan van dat politiek systeem verkoopt certificaten die het recht geven op een bepaalde hoeveelheid emissies gedurende een bepaalde periode. Bedoeling is dat de emissierechten tussen gevestigde bedrijven worden verhandeld. Bedrijven gaan dan afwegen wat goedkoper is: vervuilen en emissierechten kopen of zelf zuive­ren. Nog geheel afgezien van de virtuele prijsvorming voor de emissierechten kan, gezien de globalisering die zo typerend is voor de postmoderniteit, het systeem van grensoverschrijdende vervuiling niet langer worden opgelost door de politieke systemen van de natiestaten, maar moet er een multinationaal uitvoerend orgaan bestaan dat de emissierechten bepaalt en de ver­han­deling van emissierechten controleert.

Ondertussen is wel duidelijk geworden dat het systeem van verhandelbare emissie­rechten, het zgn. cap and trade system  dat de Europese Unie invoerde en dat zo hardnekkig verdedigd werd door groene jongens als Ellerman, Convery en Perthuis (2010) – deerlijk  heeft gefaald. De uitstoot van koolstofdyoxide in de wereld bereikte in mei 2013 inderdaad een absoluut hoogtepunt, alle verhandeling van emissierechten ten spijt. Grandfathering – waarbij vervuilende bedrijven gratis emissierechten krijgen van de Europese Unie – heeft ervoor gezorgd dat diezelfde vervuilende bedrijven windfall profits (Jørgen Wettestadt, 2007) in de schoot geworpen kregen. Inderdaad, door de voor niets verkregen emissierechten op de (Blue Next) beurs te verhandelen, kreeg de milieuschade een kostprijs die elektriciteitsmaat­schappijen doodgewoon konden verrekenen aan hun klanten. In plaats van bij te dragen tot een abatement van de uitstoot van koolstofdioxyde, werd het systeem van de emissiecertificaten een typisch casinokapitalistisch handeltje waarbij niet de vervuiler maar de gebruiker de milieuschade moest betalen. Bovendien is de handel in emissierechten er nooit in geslaagd tot min of meer stabiele prijsvorming te leiden: als grandfathering zorgt voor een veel te grote gratis distributie van emissierechten wordt de prijs voor de certificaten zelfs doodgewoon nul, zoals in 2007 nog het geval was op de Blue Next beurs.

Nog gekker wordt het indien men de verhandelde volumes bekijkt. Ondanks de toenemende uitstoot van broeikasgassen verminderen de verhandelde emissierechten maand na maand. Uit wat volgt zal makkelijk blijken dat het complete cap and trade system van de Europese Unie weinig meer is dan één grote zwendel, passend in de ijzeren logica van het huidige casinolapitalisme. Indien dit waar is moeten twee hypothesen empirisch kunnen worden aangetoond:

  1. Zou men een doeltreffende milieubelasting (simple carbon tax) hebben ingevoerd in de plaats van het vicieuze cap and trade system , dan zouden de prijzen voor de vervuiling geheel onafhankelijk zijn geweest van de huidige financieel-economische crisis. Als de veronderstelling juist is, dat het cap and trade system faalt, (en wèl crisis gevoelig is) dan moeten de prijzen voor de emissiecertificaten dalen als de crisis vermindert en stijgen als de crisis verergert (nemen we de Econimc Sentiment Index – afkorting ESIX – als crisisindicator, en noemen we de prijs voor de emissiecertificaten op de Blue Nex P – dan moet de prijselasticeit ESIX positief zijn als de hypothese van een falende emissiehandel juist is).

  2. Als het de werkelijke bedoeling van het cap and trade system was om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, dan moet de verhandelde hoeveelheid emissie­certificaten (symbool Q) groter worden als de prijs P daalt en dalen als de prijs stijgt (typische vraagfunctie waarbij de prijselasticiteit negatief is); als de feitelijke bedoeling het maken van speculatiewinsten is, dan zal het omgekeerde gebeuren en zullen speculanten bij hoge prijzen voor emissierechten een grotere hoeveelheid aanbieden en zullen ze bij lagere prijzen een lagere hoeveelheid aanbieden (typische aanbodsfunctie waarbij de prijselas­ticiteit positief is).

Econometrisch empirisch onderzoek bevestigt dat de hele EU emissiehandel nauwelijks uitstaans heeft met efficiënte reductie van de uitstoot van broeikasgassen omdat (i) de prijs voor de emissiecertificaten crisgevoelig is, en omdat (ii) het uiteindelijk slechts een markt is waar geaasd wordt op speculatiewinsten.

In een geglobaliseerde wereld is milieuvervuiling niet langer een probleem dat natiestaten nog langer alleen kunnen oplossen, maar dat enkel kan worden opgelost door een geglobaliseerd politiek systeem. Zo’n geglobaliseerd politiek systeem bestaat in afwachting van een wereldwijd akkoord in 2015 niet in formele zin, voorlopig hooguit in informele zin: de Empire. Het universele communicatiesysteem tussen de natiestaten die deel uitmaken van de Empire blijft de macht van die natiestaten, met op de eerste plaats hun militaire macht (die zwaarder doorweegt dan hun economische macht). Zo heeft de Europese Unie een aanzienlijk grotere economische macht dan de Verenigde Staten, maar door het ontbreken van een Europees leger dat een welomschreven buitenlandse politiek volgt, is de rol van de Europese Unie binnen de Empire ondergeschikt aan die van de Verenigde Staten. Hoe groter het wapenarsenaal, hoe groter het leger, hoe groter de macht van het sys­teem staat binnen de leefwereld is. Die macht wordt aangewend om binnen supranationale systemen een controle­ren­de functie uit te oefenen. De stelling van Hardt en Negri dat geen enkele staat de Empire leidt ontkent dit streven naar globale controle dat nochtans zeer manifest is. Men denke aan de Verenigde Staten, Rusland, China, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk die een vetorecht wisten te bedingen in de Veiligheidsraad. Men denke aan de Wereldbank waar de elf presidenten alle elf Amerikanen zijn geweest, een Wereldbank die door de Amerikanen vooral werd gebruikt om ontwikkelingslanden in het westerse kamp te krijgen en destijds te onttrekken aan de invloedssfeer van de Sovjet-Unie. Bekijkt men de directeurs-generaal van het IMF dan valt op dat ze alle tien, zonder enige uitzondering, van rechtse signatuur waren. Is het juist dat slechts één van hen – Anne Krüger van Stanford University – van Amerikaanse nationaliteit was, dan heeft het IMF steeds een pro-Amerikaanse koers gevolgd, waarbij geen rekening werd gehouden met schendingen van de mensenrechten, waarbij dictators meer dan eens op financiële steun van het IMF konden rekenen, waarbij nimmer rekening werd gehouden met aangerichte schade aan het milieu, etc. Ook binnen de GATT hebben vooral de Amerikanen gepoogd de verschillende onderhandelingsronden naar hun hand te zetten. Dit lukte hen minder binnen de WTO (opvolger van de GATT), maar ook daar blijft de structuur uitgesproken onde­mocratisch (cf. het zgn. stemmen in achterkamertjes).

Zeer bedenkelijk is ook het feit dat staten met de hoogste macht internationale ver­dragen kunnen kelderen. Symptomatisch was het feit dat de Bush-administratie, die in het spoor van het neoconservatieve PNAC de opwarming van de aarde in alle toonaarden ontkent, geweigerd heeft het protocol van Kyoto te ratificeren, terwijl de Verenigde Staten zelf verantwoordelijk zijn voor de uitstoot van één derde van alle broeikasgassen ter wereld. Op dezelfde manier weigeren de Amerikanen het gezag te erkennen van alle internationale rechtbanken die het zouden aan­durven hen te veroordelen. Hoe machtiger een staat, hoe geringer de bereidheid zal zijn een deel van de soevereiniteit af te staan aan supernationale instellingen of verdragen. Zo onder­te­ken­de Amerika in 1990 wel het CFE verdrag over de beperking van conventionele wapens maar ging het ermee door Europese staten massaal van Amerikaanse wapens te voorzien. Sympto­ma­tisch zijn ook de non-proliferatie akkoorden waarbij die staten, die net de grootste arsenalen aan nucleaire wapens hebben, andere staten het recht ontzeggen soortgelijke wapens aan te maken. De geloofwaardig­heid van dit soort akkoorden is dan ook zo goed als nihil, omdat ze er alleen op uit zijn de machtspositie van de nucleaire mogendheden te bestendigen.

Indien de UNFCCC er niet in slaagt tegen 2015 de Verenigde Staten in een wereldwijd akkoord over de uitstoot van broeikasgassen te betrekken zullen 21 klimaatconferenties een maat voor niets zijn geweest. Voorts zou het fout zijn te blijven kleven aan het naïeve cap and trade system met zijn nadelen van grandfathering en windfall profits en moet er werk worden gemaakt van een simple carbon tax.

Een reactie posten

0 Reacties