TURKSE LEGER KIJKT TOE TERWIJL EEN STEENWORP VERDER 400 MENSEN WORDEN AFGESLACHT

foto: Machteloze PKK strijders kijken aan de grens met Syrië toe hoe de stad Kobani wordt ingenomen door de terreurgroep IS. De Turkse tanks staan er onbewogen bij. En de PKK strijders mogen de Peshmerga een steenworp verder niet gaan helpen bij de verdediging van Kobani

Er bestaan al lang twijfels over de rol die Recep Tayyip Erdoğan speelt in het trieste verhaal van het nieuwe kalifaat. Jef Lambrecht ziet het goed als hij stelt dat de president van Turkije zich steeds meer gedraagt als de toekomstige sultan van het kalifaat. Het heeft verrassend lang geduurd alvorens Turkije besliste met de coalitie van Obama mee te strijden tegen de Islamitische Staat, tot 2 oktober 2014. Noch de aanvallen van ISIS op de grensstad Kobani, noch een hierdoor op gang gekomen vluchtelingenstroom van 130.000 Syrische Koerden en Syriërs naar Turkije konden Erdoğan overhalen om militair tussen te komen. Ook aan de oproep van Massoud Barzani, sinds 2005 president van de Koerdische Autonome Regio, om de Koerden wapens te leveren in hun ongelijke strijd om Kobani te verdedigen tegen een overmacht aan ISIS troepen, werd door Erdoğan geen gevolg gegeven, tot grote ergernis van Obama. Als Turks-Koerdische onafhankelijkheidsbeweging PKK haar broeders in Kobani ter hulp wil snellen wordt dit door Erdoğan doodgewoon geweigerd. Waarnemers verdenken er Ankara van dat het de opmars van IS oogluikend toelaat om zo het regime van Bashar al-Assad te ontwrichten. Ook als IS op 1 oktober 2014 in de Syrische stad Homs twee scholen aanvalt, de ene met een autobom, de tweede met een zelfmoordterrorist, en daarmee wacht tot het uitgangsuur om zoveel mogelijk kinderen te treffen, en hierbij 22 volwassenen en kinderen doodt, geeft Erdoğan geen krimp. Turkije komt dezelfde dag pas in actie nadat op 36 Turkse soldaten, die het mausoleum van Suleiman Shah op een eilandje in een stuwmeer van de Eufraat moeten bewaken, worden omsingeld door ongeveer 1.100 jihadi van de Islamitische Staat. Pas nu roept premier Ahmet Davutoğlu (in een vorig leven minister van Buitenlandse Zaken het Parlement in spoedzitting bijeen om naar een oplossing te zoeken.

Wat wel steekt is dat Turkije gedurende al die tijd in het geheel geen rekening hield met de resolutie 2170 §8 van de Veiligheidsraad van 15 augustus 2014 die stelt dat lidstaten van de Verenigde Naties al het nodige moeten doen om het vertrek van potentiële Syriëstrijders kordaat te stoppen. [§8 stelt onder Hoofdstuk VII met onmiddellijke toepassing: Calls upon all Member States to take national measures to suppress the flow of foreign terrorist fighters to, and bring to justice, in accordance with applicable international law, foreign terrorist fighters of, ISIL, ANF and all other individuals, groups, undertakings and entities associated with Al-Qaida, reiterates further the obligation of Member States to prevent the movement of terrorists or terrorist groups, in accordance with applicable international law, by, inter alia, effective border controls, and, in this context, to exchange informa­tion expeditiously, improve cooperation among competent authorities to prevent the movement of terrorists and terrorist groups to and from their territories, the supply of weapons for terrorists and financing that would support terrorists.] Wel integendeel fungeert Turkije als de uitvalbasis van waar potentiële Syriëstrijders de terreuror­ganisatie IS bereiken. Het was een manier van Erdoğan om het verzet tegen Bashar al-Assad met alle mogelijke middelen aan te scherpen en om zo te beletten dat de Syrische en Iraakse Koerden van de Syrische burgeroorlog gebruik maken om een onafhankelijke Staat Koerdistan te stichten.

Turkije hield niet alleen open deur voor al wie in Syrië met ISIS wilde gaan meestrijden, Turkije wordt er ook van verdacht aan het extremistische al-Nusra het saringas te hebben geleverd dat op 21 augustus 2013 in Ghouta (een voorstad van Damascus) werd gebruikt voor een aanslag waarbij tussen 322 tot 1729 burgers omkwamen. Voorts zijn er zeer expliciete vermoedens dat Turkije wapens heeft geleverd aan ISIL/ISIS. Dat er duidelijk verborgen banden zijn tussen de conservatief-islamitische regering van Turkije en het kalifaat is op 20 september 2014 zichtbaar geworden. Geheel onverwacht kondigde de kersverse Turkse premier Ahmet Davutoğlu aan dat IS de 49 gevangen Turkse diplomaten en hun gezin of medewerkers heeft vrijgelaten die op 11 juni 2014 bij de inname van Mosoel door IS werden gevangen genomen. Onder hen ook de consul-generaal, zijn echtgenote en zijn kinderen. Davutoğlu deed de aankondiging in een televisietoespraak. Voorheen werd de gijzeling aangewend als voorwendsel waarom Turkije geen deel wilde uitmaken van Obama's coalition of the willing. Pas een week later wordt duidelijk dat er werd onderhandeld tussen Ankara en de terreurgroep IS, waarbij de Turkse 49 gegijzelden werden geruild tegen een ongekend aantal in Turkije gevangen gehouden terroristen van IS.

Op 2 oktober 2014 beslist het parlement dan dat Turkije zowel in Irak als in Syrië troepen en vliegtuigen mag inzetten tegen de terreurorganisatie IS, al voegt Defensieminister Ismet Yilmaz er onmiddellijk aan toe dat de inzet niet voor onmiddellijk is en zich aanvankelijk zal beperken tot Irak. Voorlopig stuurt het land 10.000 troepen en 35 tanks naar het grensgebied, op anderhalve kilometer van het aangevallen Kobani (Ayn al-Arab), maar wordt er niet één schot gelost, ook niet als – ondanks acht zware bombardementen door gevechtsvliegtuigen van én de Verenigde Staten én de Verenigde Arabische Emiraten – op 6 oktober 2014 Islamitische Staat de zwarte vlag plant op de berg Machta Nur en op een gebouw in Kobani.

Als Erdoğan de in guerrilla erg geoefende strijders van de verboden PKK, die veel efficiënter kunnen zijn dan de Peshmerga bij de verdediging van Kobani de oversteek blijft weigeren, en het Turkse leger niets onderneemt terwijl in de belegerde stad al 400 burgers zijn omgekomen barst onder de Turkse Koerden de woede los, niet enkel in het grensgebied maar ook in Ankara, in Istanbul en in Diyarbakir. Bij straatrellen met de politie op 9 oktober 2014 komen minstens 25 Koerdische betogers om. PKK-leider Abdullah Öcalan, die sinds 1999 in Turkije gevangen zit, en die er twee jaar geleden instemde met de zgn. “Koerdische vrede”, waarbij de marxistische PKK beloofde zich van verdere aanslagen te onthouden, heeft er ondertussen mee gedreigd een einde te maken aan die Koerdische vrede indien Turkije de grensovergang blijft weigeren aan PKK-strijders die klaar staan om de 5.000 te licht bewapende Peshmerga bij te staan in hun verdediging van Kobani.

De Nederlandse Femke Halsema, gewezen partijleider van Groen-Links, heeft in de internetkrant De Correspondent, erop gewezen dat de PKK in de strijd tegen IS een bondgenoot van de coalitie is: “De Turken moeten nu, terwijl de inwoners van Kobane onder hun ogen vermoord worden, besluiten dat IS een groter gevaar is dan de Koerdische PKK”. Het wordt dus tijd, vindt ze, dat Europa ermee stopt de PKK nog langer een terreurgroep te noemen. Maar Erdoğan blijft het been stijf houden. Eigenlijk heeft hij een heel andere (verdoken) agenda dan die van de coalitie. Hij wil dat Amerika grondtroepen inzet die dan op medewerking van het Turkse leger kunnen rekenen, omdat hij niet gelooft dat luchtaanvallen IS in zijn opmars kunnen stoppen. Voorts is zijn bedoeling veel minder IS uit te schakelen dan wel het seculiere regime van Assad ten val te brengen. Zo wil hij dat Amerika alle rebellen steunt die Assad uit het zadel willen lichten. En verder is hij bevreesd dat de Koerden van de Syrische oorlog misbruik gaan maken om een eigen grensoverschrijdende Staat Koerdistan uit te roepen.

Dat Turkije, toch een NAVO-partner van de Verenigde Staten, passief blijft toekijken hoe op een steenworp van de grens Koerden door de terreurgroep IS worden vermoord is bij de Amerikanen in het verkeerde keelgat geschoten. Vicepresident Joe Biden heeft het tijdens een toespraak aan de Kennedy School in Harvard van 5 oktober zelfs aangedurfd naast de Verenigde Arabische Emiraten ook Turkije aan te wijzen als een land dat de jihadistische rebellen in Syrië veel te lang heeft gesteund. Toen dit de wereldpers haalde werd hij wel verplicht deze openlijke beschuldigingen terug in te trekken. Maar John Kerry stuurt wel een gezant naar Ankara om er samen met NAVO-baas Jens Stoltenberg Erdoğan de duimschroeven aan te draaien indien hij geen blijk geeft van de aan de NAVO-lidstaten verplichte solidariteit in hun strijd tegen de Islamitische Staat. Turkije blijft in die strijd een erg dubieuze rol spelen. Anderzijds hoort men in de Verenigde Staten ongaarne dat ondanks acht bombardementen op IS troepen van 9 oktober 2014, waarbij een aantal tanks zouden zijn uitgeschakeld, de IS-verovering van Kobani onverminderd doorgaat. Op 10 oktober zou de terreurgroep al minstens een kwart van de stad hebben ingepalmd. Andere bronnen spreken zelfs van een derde. Desondanks blijft het Pentagon optimistische berichten de wereld insturen dat de coalitie vooruitgang boekt in de strijd tegen IS. Welke die vooruitgang dan is wordt niet expliciet gemaakt.

Een reactie posten

0 Reacties